De boogwerking, die wel eens aangehaald wordt als zijnde het fenomeen waarop de vloer moet blijven hangen, kan alleen werken als de overspanning niet te groot is ten opzichte van de dikte van de vloer en van de opsluiting van de vloer aan de uiteinden. Als in metselwerk bogen of lateien worden gemetseld, moeten de einden van de boog voldoende massa zijn om de ontstane spatkrachten op te vangen en af te voeren. Vloeren moeten in dat geval eveneens goed opgesloten zitten en maar al te vaak is het vulbeton op de vloer en tussen de koppen van een niet al te beste kwaliteit. In de dwarsrichting treedt er eveneens een boogwerking op, daarop is het systeem ontworpen. Deze functioneert goed omdat de elementen naast elkaar liggen en door de hoogte van ongeveer 18 cm ten opzichte van de breedte van 50 cm een goede verhouding geeft.